Blog

Onderwijs en Jeugdzorg, 1968 en later

Ton Notten

Lees verder Onderwijs en Jeugdzorg, 1968 en later

Advertenties

Schrijf een bijdrage !

 

Wil je een tekst leveren, maar komt het er niet van? Of heb je een tekst liggen?

Ik zet het op het blog, maar soms duurt het even. Stuur de tekst naar t.ophuysen@kpnmail.nl of mail mij om een mogelijke tekst te bespreken. Het blijft onder ons, andragologen, Truus

Radicaal Pragmatisme Terug naar de oorsprong van de veranderkunde!


Ruud Van der Veen

Andragologie is een product van de verzorgingsstaat van de jaren zestig, en met die verzorgingsstaat is ze vanaf de jaren tachtig als academische discipline zelf ook weer ten onder gegaan. Ook tradities van enkele andragogische werksoorten, bijvoorbeeld vormingswerk en opbouwwerk hebben zwaar geleden bij de inkrimping van de verzorgingsstaat. Als ik hieronder in ga op bestudering van nieuwe vormen van sociale verandering, spreek ik dan ook niet meer van andragologie maar gewoon over veranderkunde. Ik ben daarbij vooral geïnteresseerd in de grondslag van die vernieuwde veranderkunde.

De verzorgingsstaat voorbij

Het heeft zeker pijn gedaan dat allerlei soorten uitkeringen in de verzorgingsstaat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn gekort of soms geheel zijn verdwenen, met bijvoorbeeld als gevolg dat er in Nederland in de 21ste eeuw weer steeds meer mensen in armoede moeten leven. Ook zijn veel subsidies voor andragogische werksoorten in de afgelopen decennia gedecentraliseerd, wat niet zelden ook weer tot bezuinigingen leidde op andragogische praktijken. Het meest gehoorde rechtvaardiging voor deze trieste ontwikkelingen betreft de tekorten op de begroting van de overheid en op de achtergrond de kwakkelende economie. Bij concrete beslissingen speelden vanzelfsprekend vaak ook nog specifieke politieke motieven mee; dan weer bezuinigde een kabinet op de ene soort regeling, dan weer een ander kabinet op een ander soort regeling, al naar haar politieke kleur. We zullen er ons bij moeten neerleggen dat het doorgaans inderdaad een geldig argument was dat veel voorzieningen in de verzorgingsstaat geleidelijk aan te duur werden voor de overheid.

Actief burgerschap

Gaandeweg moesten daarom burgers zelf wel actiever worden. Bijvoorbeeld vrijwilligers die hun eigen buurthuis gingen beheren of vrijwilligers die werken in nieuwe informele vormen van hulpverlening zoals voedselbanken, of nog directer de rol van mantelzorger op zich moeten nemen. Omdat de strategie van de rijksoverheid was om verzorgingstaken te decentraliseren, kwam de rol van activering van burgers dan ook terecht bij de gemeenten.

Maar er is meer. Actief burgerschap en activering van burgers, is niet alleen een belangrijk thema geworden in de zorgverlening aan anderen. Er zijn ook nieuwe sociale bewegingen opgekomen, bijvoorbeeld allerlei bewegingen voor milieubehoud, en bijvoorbeeld ook diverse etnische bewegingen die er naar streven de eigen cultuur te behouden. Deze nieuwe sociale bewegingen waren vanzelfsprekend het initiatief van actieve burgers. Ook bijvoorbeeld arbeidsorganisaties zijn veranderd in de afgelopen decennia, de gezagsstructuren zijn veelal minder hiërarchisch geworden en dat maakte de werknemer tot weer een ander type van actieve burger, in ondernemingsraden maar bijvoorbeeld ook in werkoverleg.

Verzakelijking sociale verandering

Wat mij de laatste jaren echter vooral intrigeert is een geleidelijke verzakelijking van debatten en praktijken van sociale verandering in deze verschillende situaties. Gemeenten bijvoorbeeld, een steeds belangrijker geworden instantie voor sociaal beleid, hebben niet alleen al een lange traditie van vaak breed samengestelde colleges, ik verwacht ook dat na de recente verkiezingen die trend zich verder zal doorzetten, want er zijn nu in veel gemeenten een groter aantal partijen dan eerder, waaronder bovendien veel partijen zonder een uitgesproken ideologische basisfilosofie.

Ook de nieuwe sociale bewegingen zoals bijvoorbeeld de milieubewegingen, de ouderenbewegingen zijn intern veel minder ideologisch verdeeld dan bijvoorbeeld de vroegere arbeidersbeweging en vrouwenbeweging van eind 19de en begin 20ste eeuw. En om nog een voorbeeld aan te halen, de tamelijk recente bedrijfsdemocratie en ook toenemend werkoverleg zijn waarschijnlijk een terrein waar participatie het minst ideologisch geladen is.

En om binnen ons eigen vak te blijven, ook andragogen lijken zich steeds minder van elkaar te onderscheiden in professionele waarden. Allerlei overstijgende theorieën over sociale verandering, zoals bijvoorbeeld het drietal andragologische modellen van Marinus van Beugen (technisch, politiek, en persoonlijk groei model) worden steeds minder vaak expliciet gemaakt. Er schijnt een groeiende verzakelijking te zijn in termen van technisch-professionele modellen voor de ondersteuning van sociale verandering.

Radicaal pragmatisme: democratie en educatie

Toch lijken mij een karakterisering van de recente sociale veranderingen als ont-ideologisering, verzakelijking, professionalisering te kort door de bocht. Alsof het bij sociale verandering tegenwoordig nog slechts gaat om actie zonder reflectie, om beslissen zonder discussie, om handelen zonder leren. Dat moge voor sommigen zo zijn, maar mijn ervaring is dat er op de achtergrond toch meer algemene, niet-ideologische waarden meespelen. Ik baseer dat onder meer op een groot internationaal onderzoek naar kenmerken en motieven van actieve burgers dat ik met een aantal Europese collega’s in het begin van deze eeuw in negen landen heb uitgevoerd.

Ik voel me sindsdien meer thuis bij de Amerikaanse filosofische traditie van Pragmatisme, waartoe onder meer John Dewey en RIchard Rorty zich rekenen. Voor hen gaat het niet alleen om het korte termijn effect van verandering zelf, maar zou sociale verandering op de langere termijn verdere ontwikkeling van democratie en educatie (moeten) versterken. Om een duidelijk onderscheid te maken tussen het platte begrip van pragmatisme zoals dat in Nederland meestal wordt gebruikt, noem ik deze Amerikaanse filosofische stroming voor het gemak hier “radicaal pragmatisme” (een term van Saul Alinsky om zijn buurtwerk te beschrijven).

Wat ik hier voorstel is in zekere mate terugkeer naar een richting binnen de oude andragologie. John Dewey beïnvloedde niet alleen het denken over educatie in de Verenigde Staten, maar was ook een inspiratiebron van de “planned change” theorie, die op haar beurt soms weer een inspiratiebron was voor sommige vertakkingen van de oude andragologie in Nederland, zoals organisatieontwikkeling en opbouwwerk. Na allerlei ideologische zwerftochten van ons vakgebied in de tweede helft van de vorige eeuw kom ik al enige tijd nu toch weer uit bij de Amerikaanse grondleggers van het Pragmatisme als een passende basisfilosofie voor de nieuwe veranderkunde. Nader onderzoek hoe dat te concretiseren is in ieder geval mijn doel voor de komende jaren, vooral in een studie van de sociale veranderingen in de krimpgebieden op het Nederlandse platteland.

 

Schrijf ook een bijdrage!

Na de inspirerende inleiding van dr. Rob van Es en de discussies op de ledenvergadering van 24 maart jl. is er weer volop discussie en gespreksstof, of we onze discipline nu als veranderwetenschap, veranderkunde of toch als andragologie willen noemen. Veranderkunde, management of change blijkt populair te zijn. Binnenkort is het verslag van de ledenbijeenkomst te verwachten. Schrijf alvast een eigen bijdrage, zoals Ruud Van der Veen doet. Bijdragen van niet-leden zijn ook zeer welkom.

Truus Ophuysen, uw blogredacteur

Hoe staat het toch met de hístorische andragologie?

Op de nieuwjaarsborrel van de kring in een interessant publiek gesprek met mede-andragoloog Geert ten Dam, voorzitter van het College van Bestuur van de UvA, bleek weer eens hoe de andragogische probleemstelling & benadering nog overal terug te vinden is, ook al bestaan we niet meer als zelfstandige studierichting. Zelfs in het bescheiden nisje van de historische andragologie is dat het geval.

Henk Michielse houdt de historische andragologie levend!

Aan de hogescholen wordt in de studierichting, die tegenwoordig vaart onder de onvermijdelijk Angelsaksische naam Social Work, nog steeds aardig wat aan geschiedenis gedaan. Neem het voortreffelijke werk van Maarten van der Linde, inmiddels oud-lector Geschiedenis sociaal werk aan de Hogeschool Utrecht, wiens Basisboek Geschiedenis van het sociaal werk in Nederland in 2016 zijn zesde compleet herziene en uitgebreide druk beleefde. Naast de Historische Canon van het Sociaal werk, die voor het eerst in 2007 werd uitgebracht, zijn inmiddels reeksen canons verschenen van allerlei werkvelden: Zorg voor de jeugd, Maatschappelijke opvang, Geestelijke gezondheidszorg, Gehandicaptenzorg, Maatschappelijk werk, Vrouwenopvang, Reclassering, Volkshuisvesting, Verslavingszorg, Cliëntenbeweging GGZ, Palliatieve zorg. In 2013 publiceerde Van der Linde ook, samen met de vroegere historisch andragoloog aan de RU Groningen Johan Frieswijk, De Volkshogeschool in Nederland 1925-2010 (Verloren, Hilversum 2013), een onderzoeksproject dat ik mocht begeleiden vanuit de toenmalige Stichting voor Volkshogeschoolwerk.

Nu ik het toch over mij zelf heb. Ik lever tegenwoordig een heel bescheiden bijdrage aan de historische andragologie door boeken over de geschiedenis van de armenzorg en speciale aspecten daarvan zoals de financiering te recenseren in een tijdschrift, dat wel geen andere andragoloog zal kennen, al is het allesbehalve onbelangrijk. Het gaat om Trajecta. Religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden. Religion, Culture and Society in the Low Countries, dat uitgegeven wordt in samenwerking met drie Documentatiecentra van confessionele universiteiten (Leuven, Nijmegen en de VU). Zo heb ik na andere bijdragen in ruim één jaar (eind 2016-heden) drie van die boeken besproken. Twee ervan gaan over de geschiedenis van de katholieke caritas – in Utrecht en Groningen – en een over de financiering van de armenzorg in Nederlandse steden door middel van liefdadige collectes ca. 1600-1800. Laat ik volledigheidshalve toch maar even de titels noemen. De laatstgenoemde studie, van Daniëlle Teeuwen, heet Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, ca. 1600-1800 (Amsterdam University Press, 2016) en is een dissertatie aan de Universiteit Utrecht in het kader van een omvangrijker project Giving in the Golden Age. Het boek over de geschiedenis van de katholieke caritas in de stad Utrecht (Verloren, Hilversum 2016) heeft een fraaie titel Het Arme Roomse Leven, als aardige pendant van Het Rijke Roomse leven van Michel van der Plas. Maar anders dan je bij zo’n titel zou verwachten, gaat het boek niet over het sociale en godsdienstige leven van arme katholieken, maar over de bemoeienissen van rijke roomse heren met hun behoeftige geloofsgenoten. De roomse armen verschijnen hoogstens als object van deze bemoeienissen en niet als zelf handelende subjecten. Meer over de armen is te vinden in het boek van Albert Buursma over Groningen, dat als – nog al droge titel – heeft Caritas in verandering. Vier eeuwen rooms-katholieke sociale zorg in de stad Groningen (Verloren, Hilversum 2017), maar ook hier zijn ze meer object van bemoeienis dan zelf ook handelende personen. Buursma promoveerde eerder op ‘Dese bekommerlijke tijden’. Armenzorg, armen en armoede in de stad Groningen 1594-1795 (Assen 2009) dat hoofdzakelijk handelt over de gereformeerde armenzorg.

Nu plak ik op deze drie boeken wel erg gemakkelijk het etiket historische andragologie. Ze zijn van de hand van ‘normale’ historici. Als ‘echte’ historisch andragologen zulke boeken hadden geschreven, zouden ze toch net een ander karakter hebben gehad, denk ik, zeker als het IWA-andragologen waren geweest. We hoorden niet voor niets bij de sociale wetenschappen. Onze onderzoeken zouden toch wel de kruisbestuiving hebben ondergaan van historische andragogie en sociaal-wetenschappelijke theorievorming. Als ik zo egocentrisch mag zijn en mijn eigen werk memoreren: bij ons speelden toch de Frankfurter Schule en de neomarxistisch angehauchte historici van de Annalesschool dan wel de disciplineringsthesen van Foucault en Donzelot en (met dank aan wijlen prof. Wilfried Gottschalch) Max Weber een belangrijke rol, zie bijvoorbeeld De Burger als andragoog en Welzijn & discipline. Nu wordt in het boek over Groningen, dat start op het eind van de middeleeuwen, vanaf ca. 1800 in de betreffende hoofdstukken wel telkens een paragraaf gewijd aan disciplinering. Vanaf deze periode ziet de auteur, in navolging van Marco van Leeuwens Bijstand in Amsterdam ca. 1800-1850, de katholieke armenzorg vooral als beheersingsstrategie van de elite om de sociale orde te handhaven en de armen te beschaven. Hij behandelt dit aspect onder de kop Motieven voor armenzorg. Nu hadden katholieken vanouds heel andere motieven om liefdadigheid te bedrijven: ‘caritas’ gold als christelijke plicht die mede vanwege het eigen zielenheil werd verricht. Maar zeker al vanaf het eind van de middeleeuwen (zie Welzijn & discipline over Vives) was het disciplineringsaspect in de armenzorg dominant geworden en niet pas vanaf ca. 1800.

Hoe het ook zij, de betreffende boeken betekenen alle drie wel een gedegen bijdrage aan onze kennis van armenzorg en caritas, en dat is toch winst. Door deze publicaties is het beeld van de zeker niet onbelangrijke katholieke sociale zorg vanaf de Reformatie weer wat scherper geworden. Omdat Financing Poor Relief veel interessante gegevens bevat over Den Bosch, krijgt door de drie boeken met elkaar te vergelijken vooral het wedervaren van de katholieken en hun armenzorg ten tijde van de Republiek meer reliëf. Vanaf de Bataafse Tijd gaan armenzorg en sociaal werk overal steeds meer synchroon lopen onder invloed van overal dezelfde algemene factoren, met name de toenemende rol van de gemeentelijke en landelijke overheden, al kunnen de lokale katholieke instellingen natuurlijk wel zo hun eigen wederwaardigheden hebben. Na de doorvoering van de Reformatie, waarbij alle katholieke instellingen voor armenzorg werden opgeheven en de goederen overgedragen aan de steden en de gereformeerde diaconieën, hadden de katholieken van Den Bosch het verreweg het gemakkelijkst. Van de drie genoemde steden behield alleen de Brabantse stad de middeleeuwse organisatie van de armenzorg, die hoofdzakelijk wijksgewijze los van stedelijke en kerkelijke bemoeienis was georganiseerd waardoor de katholieken, die de overgrote meerderheid van de bevolking uitmaakten, gewoon konden doorgaan met hulp te verlenen aan hun arme, meest katholieke, wijkgenoten (Wolfgang Beck had dit vast mooi gevonden: zelforganisatie in de wijken). Groningen kwam aan de andere kant van de schaal terecht. Daar hadden het stadsbestuur en stadhouder Rennenberg heel lang geweigerd – tot de zogeheten Reductie van 1594 – om zich bij de Opstand aan te sluiten en dat werd de katholieken, zeker de eerste tijd, daarna flink ingepeperd. Utrecht, dat een grote katholieke minderheid had, zat tussen Groningen en Den Bosch in.

Tot slot heb ik nog wel een appeltje te schillen met Daniëlle Teeuwen. Wat mij echt schokte was de motivering van haar onderzoek op de eerste pagina’s van de Introduction. In een paar regels wordt het terugdringen van de zogeheten verzorgingsstaat in de laatste jaren geschetst. Teeuwen noemt het dan ‘interessant’ te onderzoeken, hoe er in voorbije samenlevingen voor de armen en behoeftigen is gezorgd en welke rol liefdadigheid en de stedelijke overheden daarbij speelden. Historisch onderzoek om aanvechtbare hedendaagse sociale politiek te ondersteunen? In het slothoofdstuk komt Teeuwen hierop nog even terug. Ze ziet in, dat er geen directe parallellen getrokken kunnen worden tussen de 17e en 18e eeuw en de hedendaagse samenleving, maar zij concludeert dan wel dat de rol van de ‘civil society’ bij het verschaffen van sociale zorg heel groot kan zijn, mits daarvoor een lokaal institutioneel kader beschikbaar is. Mmmmmm! Voor zo’n conclusie had ze ook moeten onderzoeken, hoe die sociale zorg voor de bedeelden dan wel uitpakte en hoe die daar tegenover stonden.

Maar daarvoor moet je kennelijk toch historisch andragoloog zijn!

Heb je je al opgegeven voor ons lustrumsymposium op 22 november a.s.?

Tegenwicht tegen Onmacht en Onbehagen in de Samenleving

Het aantal deelnemers en deelneemsters  loopt op dit moment (begin oktober) al tegen de honderd, waaronder ook studenten, professionals die eerder cursussen hebben gevolgd, docenten van universiteiten en hogescholen en natuurlijk ook veel andragologen en kringleden. Het belooft dan ook een hele mooie dag te worden met inleiders zoals prof. dr. Danielle Zandee, dr. Gerard Donkers, drs. Nico Koning en prof. dr. Harry Kunneman.

Joseph Kessels, samen met Femke Keeren en Hanna Naus, verbonden aan de Open Bildung Academie zorgen ervoor dat we dat we ons vooral op de toekomst richten.

In de interactieve middagworkshops en lezingen worden urgente thema’s aangesneden vanuit het perspectief van verandering.

Het symposium vindt plaats in CREA op de Roeterseilandcampus – gebouw J/K
Valckenierstraat 65-67, Kamer B.63
1018 XE Amsterdam

Er zijn nog plaatsen beschikbaar maar wacht niet te lang!

Ga naar onderstaande link voor voor opgave en informatie!

www.alumni.uva.nl/andragologie

Tot ziens op 22 november a.s. !

Afscheid Joseph Kessels als hoogleraar aan de Universiteit Twente

Op 4 oktober jl. nam Joseph Kessels afscheid als professor aan de Universiteit Twente met een prachtige rede, waarin hij nog eens aangaf hoe zijn visie op leren en human resource development  zich ontwikkeld heeft.  Joseph omschreef zijn universitaire loopbaan als een voortdurende inzet ‘om wetenschap en praktijk bij elkaar te brengen’, altijd met één been in de academische wereld en met het andere in de buitenwereld.  Al tijdens zijn studie andragologie was – de enkele jaren geleden overleden – hoogleraar  sociale pedagogiek  Tjeerd Dibbits al een belangrijke inspirator, vooral vanwege zijn grote betrokkenheid bij het werkveld en bij de mensen in het werkveld.  Joseph studeerde af op het ontwerpen van projecten en is lang bezig geweest met de vraag hoe je slimme leertrajecten ontwikkelt. Maar hij kwam ook al snel tot de conclusie dat  betrokkenheid  een sterke motor was voor deskundigheid en het ontwikkelen van echte, duurzame bekwaamheden. ‘Affectieve elementen zijn uiteindelijk doorslaggevend’. Joseph’s  promotor, oud-professor Tjeerd Plomp van de universiteit Twente, aanwezig tijdens het afscheid,  memoreerde dat hij in 1985 al concludeerde dat Josephs dissertatie een voorbeeld was hoe je mensen ‘anders kunt laten leren’.

Dat ‘anders leren’ rust op drie sterke pijlers:

  • Sterke behoefte om bekwaam te worden (wie ben je, wat wil je, waar ben je goed in?)
  • Sterkte behoefte aan autonomie en zelfsturing in het primaire leerproces
  • Behoefte aan verbinding

‘Geef het individu invloed op de inrichting en vormgeving van het eigen leertraject en schaf de uniforme toetsing af.’ Gelukkig ziet Joseph die tendens al: De UvA en de VU werken bijvoorbeeld samen met de Bildung Academie waarin ze een aanvulling op het universitaire onderwijs bieden. In Twente is filosofie belangrijk en is er veel aandacht voor bestuursfuncties en activiteiten buiten de studie.

Formeel is Joseph nu met emeritaat, maar eigenlijk verandert er niet veel. Hij blijft zich bezighouden met het ontwerpen van leertrajecten en blijft betrokken bij verschillende projecten.

Truus Ophuysen

joseph 2